SAMENVATTING POLITICOLOGIE: BASISTHEMA’S & NEDERLANDSE POLITIEK





1. KAPITALISME, KLASSEN, LAGEN EN INDIVIDUALISME: SOCIAAL-ECONOMISCHE STRUCTUUR VAN DE WESTERSE SAMENLEVING




KAPITALISME VERSUS VRIJE MARKTECONOMIE


Er zijn twee theoretische stromingen die de beeldvorming over de sociaal-economische structuur van de westerse maatschappij bepalen: - De marxistische stroming: kapitalistische klassenmaatschappij - Liberale stroming: onze economische orde als een gestratificeerde, vrije en/of sociale markteconomie

Kapitalisme wordt als synoniem voor markteconomie gebruikt. De begrippen vrije en/of sociale markteconomie en kapitalisme zijn verbonden met politieke strijd. Evenals de begrippen lagen/strata en klassen.

Wie kiest voor het begrip vrije en/of sociale markteconomie, wil daarmee voornamelijk twee dingen tot uitdrukking brengen:

    1.
  1. Boodschap/lading 1 van het begrip (sociale): het overheidsingrijpen en de welvaartsstaat verzacht of zelfs verwijderd de onrechtvaardige facetten van de economie. Ooit bestond kapitalisme nu niet meer, ervoor in de plaats: ’gemengde economie’. Kapitalisme dekt niet meer de gehele sociaal-economische werkelijkheid en is in zoverre dus een abstractie. Het sociaal-economische beleid en de sociale wetgeving van de welvaartstaat zijn corrigerende supplementen van het kapitalisme, die door de politiek tegen de ongeremde werking van de economie in het spel worden gebracht.
  2. 2.
  3. Boodschap/lading 2 van het begrip (vrije): de waarborg van vrijheid en bij realisering van het principe van volledige mededinging ook van gelijkheid. Dit steekt af tegen het socialistische alternatief dat in Oost-Europa op een onaantrekkelijke dictatuur met een inefficiënte economie is uitgedraaid.


Men kan niet ontkennen dat de vrijheid (zowel de economische als de politieke) in het Westen veel groter is dan in de voormalige en bestaande socialistische landen. Hetzelfde geldt voor het peil van de welvaart. In zover is de liberale zwart-wittekening dus niet onjuist. Het punt is echter dat de liberale theorie een ideale markteconomie veronderstelt, waaraan de realiteit in de westerse wereld lang niet altijd voldoet.

De markteconomie vormt geen garantie voor het bestaan van vrijheid.

Wat zegt het samengaan van markteconomie en burgerlijke vrijheden in de Westerse landen over de sociaal-economische realiteit van die landen?

De theorieën van de markteconomie, de theorie van de industriële samenleving en de theorie van stratificatie geven hier geen antwoord op. De theorie van de kapitalistische klassenmaatschappij van Marx geeft wel uitsluitsel over het specifieke karakter van de sociaal-economische structuur. Dit betekent echter niet dat zijn theorie adequaat is. Deze laat namelijk de sociale differentiatie (lagen) van de samenleving en de individualisering die tot vervaging/ondermijning van de klassentegenstellingen leidde buiten beschouwing.

KAPITALISME ALS HISTORISCHE FORMATIE

De moderne westerse samenleving is gekenmerkt door een scheiding van economie, politiek, privé-sfeer en de ’civil society’ van de organisaties en partijen, met tussen deze vier terreinen en in de poriën ervan het verbindende element van de cultuur.

Deze scheiding in de maatschappij in enigszins afgebakende deelterreinen is geen a-historisch gegeven maar is langzaam ontstaan met de overgang van feodalisme naar kapitalisme in Europa en pas in de laatste twee eeuwen na de grote burgerlijke revoluties en de industriële revolutie voltooid.

Het middeleeuwse feodalisme (tussen ruwweg 900 en 1400) kende geen gesepareerde sferen van economie en politiek. Ideaaltypisch was deze samenleving een boerenmaatschappij. Bijna uitsluitend binnen het gezin en de dorpsgemeenschap voorzagen zij voor hun levensonderhoud. Warenrui en marktverhoudingen waren marginaal. De productiesfeer viel nagenoeg samen met wat men vandaag de dag als de private levenssfeer omschrijft. Kenmerkend: de directe heerschappij- en afhankelijkheidsverhoudingen tussen de hiërarchische geledingen van de feodale maatschappij. Het centrale gezag stelde vaak niet zoveel voor. De enige taken van het wereldse feodale gezag waren oorlogvoering, rechtspraak, toezicht op het muntwezen en misschien nog de aanleg van verbindingswegen.

Verandering in deze situatie kwam door de productiesfeer voor de markt, door de productie van waren dus, op steeds grotere schaal en daarmee samenhangend door het toenemend geldverkeer. Tegelijkertijd was de opkomst van bewegingen die pleitten en streden voor de afschaffing van de directe heerschappijverhoudingen, dit vanaf ongeveer de 15e eeuw.

Deze ontwikkeling (iedereen is vrij, gezag is er niet ten bate van zichzelf) culmineerde in de burgerlijke revoluties van de 17e tot en met de 19e eeuw. In plaats van de feodale hiërarchie kwam de rechtsstaat. Deze garandeert het particuliere eigendom en de individuele vrijheid van de burgers en schept een kader (maten en munten) voor het functioneren van de markt.

Theorie van Weber (1975): ook de opkomst van de protestantse arbeidsethiek vanaf de 16e eeuw in Noordwest-Europa is een belangrijke schakel in de politiek-economische omwentelingen van de 16e tot en met de 18e eeuw geweest. Deze ethiek, met de nadruk op de positieve waardering van handarbeid, discipline en soberheid was volgens Weber een onderscheidend kenmerk van de Europese ontwikkeling. -> met de Reformatie ontstond deze ethiek.

Niet alleen de markt daagde mensen uit tot het opschroeven van hun arbeidsproductiviteit, ook hun geloof alleen door arbeidzaam leven een kans op het eeuwige leven te maken, bracht hen ertoe te beantwoorden aan deze uitdaging.

Een bijkomstigheid van de markt en het protestantisme was een versterking van individualisme en liberalisme. Een individuele relatie tot God.

Het idee van individuele prestatie en bezit gaan samen in ’possesive individualism’. -> klassieke liberale theorie (John Locke en Adam Smith):

Het individu wordt gezien als bezitter van zichzelf en zijn capaciteiten, kan daaraan politieke rechten ontlenen en is niets verschuldigd aan de maatschappij. Als de enkelen maar wedijveren voor hun eigen best dan zal dat ook op indirecte manier – als het ware door een ’invisible hand’ – ten goede komen aan de samenleving als geheel, aldus Smith.

Het was een combinatie van marktwerking, individualisme, protestantisme, liberalisme en politieke veranderingen die de doorbraak van het kapitalisme bewerkstelligde. De definitieve doorbraak was de industriële revolutie.

De industrialisering bracht voor mensen ook de scheiding van wonen en (buitenshuis) werken met zich mee en daarmee ontstond in feite de scheiding tussen privésfeer en economie.

Daarnaast zijn de typerende structurele kenmerken van het kapitalisme:

    a)
  1. De regulering van de verdeling van de producten door de markt, door het mechanisme van vraag en aanbod en niet meer door subsistentieproductie en door verplichtingen zoals tijdens het feodalisme (strikt genomen maakt pas deze marktregulatie een maatschappelijk productieproces tot een economie).
  2. b)
  3. De productiesfeer door ondernemingen in particulier bezit voor een (overwegend) anonieme markt, daarmee verband houden;
  4. c)
  5. De concurrentie en de centraliteit van de winst; en
  6. d)
  7. De verhandeling van de menselijke arbeidskracht als waar.


KAPITALISME EN KLASSENVERHOUDINGEN VOLGENS MARX

In het kapitalisme is ook menselijke arbeidskracht een waar. Dit individualiseert de mensen maar het leidt tegelijkertijd tot het ontstaan van een centrale maatschappelijke scheidslijn omdat grote groepen van mensen daardoor in vergelijkbare sociaal-economische omstandigheden komen.

De meeste mensen bezitten geen productiemiddelen en moeten dus hun arbeidskracht verkopen, daardoor zijn ze voor hun levensonderhoud afhankelijk van hun loon. De arbeiders hebben een belang bij een hoog loon. De individuele eigenaar van de productiemiddelen, de kapitalist of de vennootschap, heeft belang in winst. Winst is gerelateerd aan kosten en lonen zijn bestanddeel van de kosten.

Op het moment dat 1 of beide partijen ernaar streven hun aandeel te maximaliseren leidt dit tot een belangentegenstelling tussen loonarbeid en kapitaal.

Volgens Marx is dat het geval en daarom spreekt hij van de klassen van loonarbeid en kapitaal.

Omdat de klassenverhouding tussen loonarbeid en kapitaal een verhouding is kan men zeggen dat door deze verhouding de relationele klassenstructuur(weten op tentamen denk ik) van het kapitalisme wordt omschreven.

Marx beschouwt deze verhouding als een uitbuitingsverhouding. De totale waarde van wat de mensen in loondienst produceren is hoger dan de waarde van het loon dat zij voor hun werk krijgen. De differentie, ’de meerwaarde’ blijft bij de kopers van de arbeidskrachten: het kapitaal.

Critici vinden dat dit niet waar is:
De kern van Marx zijn uitbuitingstheorie is: maatschappelijke productiesfeer en particuliere toe-eigening van de meerwaarde. Twee dingen zijn hierbij van belang:
    a)
  1. Marx beschouwt de kapitalistische uitbuiting niet als een soort diefstal.
  2. b)
  3. Men dient kapitalistische uitbuiting niet te verwarren met parasitaire uitbuiting voor consumptieve doeleinden of met een stelsel waarin de ene groep van de bevolking zich verrijkt ten koste van anderen. Deze vorm van uitbuiting is van alle tijden.


DE DYNAMIEK VAN HET KAPITALISME EN DE TEGENSTELLING TUSSEN ARBEID EN KAPITAAL

De tegenstelling tussen arbeid en kapitaal komt niet voort uit de kapitalistische uitbuiting als zodanig, maar uit het dynamische karakter ervan. De directe oorzaak hiervan is het winststreven van de ondernemingen, het streven de kosten te minimaliseren en de winsten te maximaliseren.

Voorbeeld: goedkope arbeidskrachten in lage-lonen-landen waar bedrijven zich vestigen. Voorbeeld 2: winst staat voorop, ondernemingen verzetten zich tegen milieumaatregelen.
De winst staat centraal, ethische principes zijn niet belangrijk.

Dit winstreven komt doordat ondernemingen door hun onderlinge concurrentie aan een structurele pressie onderworpen zijn om hun winsten te maximaliseren en dus ook hun kosten te minimaliseren. Als je niet meedoet aan de winstrace loop je het gevaar failliet te gaan.

Concurrentie is een pregnant structuurprincipe van het kapitalisme. De structurele pressie tot winstmaximalisering is hiervan het gevolg. Zonder deze 2 ingredienten zou men niet van kapitalisme kunnen spreken, want zij bepalen het specifieke functioneren van dit stelsel.

Concurrentie en winststreven vormen de basis voor de unieke dynamiek van het kapitalisme.

Hierdoor zijn de ondernemingen steeds op zoek naar nieuwe productiemethoden en naar nieuwe producten. De kapitalistische dynamiek leidt tot min of meer permanente verandering van het ’sociale landschap’, omdat bijv. nieuwe technologien en nieuwe producten de wereld letterlijk een ander gezicht geven. Gekoppeld aan deze vernieuwende dynamiek is een permanente verandering van behoeften en leefgewoontes.

Vergeleken bij het kapitalisme waren vroegere samenlevingen statisch. Het lijkt erop dat de wereld in de afgelopen tweehonderd jaar meer is veranderd dan in de gehele geschiedenis die daaraan voorafging. De door concurrentie en winstreven veroorzaakte dynamiek van het kapitalisme sleurt de rest van de maatschappij als het ware mee, want de mensen, maar ook de politiek, worden voortdurend genoopt zich aan te passen bij zich veranderende omstandigheden. Principes als competitie en abstracte prestatie zijn doordrongen geraakt in de maatschappij.

Een ander aspect van de kapitalistische dynamiek is de globalisering. Een grote kapitalistische economie. Traditionele levenswijzen komen onder druk te staan en in veel gebieden van de wereld vindt een modernisering naar westerse snit plaats. Globalisering is al sinds enkele eeuwen aan de gang, sterke impuls door het kolonialisme, daarna niks, toen jaren ’70 weer opleving.

De kapitalistische dynamiek heeft ook bedreigende kanten / negatieve kanten:

Existentieel bedreigende dimensie: pressie tot reductie van de kosten en dus ook de loonkosten leiden tot een neerwaartse spiraal in de loonontwikkeling. ’De logica van het kapitaal’: de potentiële tendens van verergering van de uitbuiting. Het zou leiden tot een onveilig bestaan met onzekerheid of je wel een baan etc. hebt.

Het is dit existentiële bedreigende aspect van de kapitalistische dynamiek dat de verhouding tussen loonarbeid en kapitaal tot een relatie van structurele oppositie maakt. En dit aspect leidt ook tot politisering van het kapitalisme: de mensen in loondienst moeten een tegenmacht tegen de logica van het kapitaal formeren. Ook kan de zorgzaam optredende staat er een stokje voor steken in het kader van ’het algemeen belang’.

De kern is dat het kapitalisme zonder collectief georganiseerde tegenmacht de tendentie heeft zonder oog voor de sociale gevolgen door te denderen.

RELATIONELE KLASSEN EN DIFFERENTIATIE

De relationele arbeidersklasse: alle mensen die hun arbeidskracht op de kapitalistische markt verkopen.
De loonarbeidersklasse is echter niet veel meer dan een abstractie.
Manuele arbeidersklasse = de traditionele arbeidersklasse.
De klasse van loonafhankelijken bestaat uit een zeer gedifferentieerde hiërarchie.
Indicaties voor deze differentiatie: •
•
Het probleem van de nieuwe middenklassen: wat je met de differentiatie van de loonafhankelijken doet in het kader van de theorie van Marx, moeilijk een oplossing voor te vinden.

STRATIFICATIETHEORIëN

De stratificatietheorie heeft absoluut geen problemen met de differentiatie van de beroepsbevolking. Deze stroming heeft geen oog voor de relationele en structureel oppositionele klassenverhoudingen van het kapitalisme.

Alle verhoudingen worden getransformeerd tot hiërarchische geledingen.

Het centrale probleem van de stratificatietheorie bestaat uit de vraag welke classificatie- of stratificatiecriteria men moet hanteren en welke beroepsgroepen men moet aggregeren.

Globaal zijn er twee methoden in de stratificatietheorie aan te wijzen: 1. Een multidimensionale, waarin onder meer criteria als leeftijd, sekse en etniciteit alsmede het verschil tussen stad en land een rol spelen. 2. Een aanpak waarin de categorie beroep centraal staat met als vooronderstelling dat iemands beroep ook iets zegt over iemands kwalificatie, inkomen en status en daarmee tegelijkertijd over de concrete materiële en culturele levensomstandigheden.

De multidimensionale methode streeft ernaar zoveel mogelijk dimensies van de gehele sociale structuur in 1 enkel schema in kaart te brengen. Het is echter onmogelijk om alle sociale posities die mensen innemen in kaart te brengen, onbegonnen werk.

Beter is om globale sociaaleconomische categorieën te nemen.

Voorbeeld daarvan van F. Parkin:
• Professional, managerial, and administrative; • Semi-professional and lower administrative; • Routine white collar; • Skilled manual; • Semi-skilled manual; • Unskilled manual.

Ander voorbeeld is de constructie: • Arbeidersklasse (3 onderste Parkin) • Middenklasse (2 daarboevn) • Hogere klasse (bovenste)

Je kan nog verder differentiëren in hogere en lagere middenklasse. Bij al deze stratificatiemodellen speelt 1 factor een rol: status.

Beroepsstatus is in zekere zin gerelateerd aan de status van diploma’s maar wortelt ook in culturele verhoudingen en tradities. Het gevaar is dus dat men meer dan alleen sociaaleconomische criteria hanteert.

DE TWEEDIMENSIONALE KLASSENSTRUCTUUR

Door te werken met een tweedimensionale klassenstructuur kan je enerzijds de relationele en anderzijds de hiërarchische klassenposities met elkaar combineren.

De tegenstelling tussen loonarbeid en kapitaal wordt hierdoor gedeeltelijk geneutraliseerd. Mensen staan in diverse verhoudingen tot arbeid/kapitaal of hun strata.

E.O. Wright: theorie van de ’contradictory class locations’.

Max Weber gebruikt de tweedimensionale klassenstructuur beter. Hij volgt Marx wanneer hij zegt dat bezit en niet-bezit de ’basiscategorieën’ van de klassenindeling zijn en dat in het kapitalisme tussen deze categorieën een ’tegenstelling’ bestaat. Klassen die door hun concrete materiële levensomstandigheden en door hun alledaagse cultuur van elkaar afgebakend worden noemt hij ’sociale klassen’. Het lidmaatschap van een sociale klasse wordt behalve door de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal ook bepaald door factoren als opleiding, inkomen en beroepsstatus.

Centrale boodschap tweedimensionale klassentheorie is dat polarisatie en differentiatie elkaar overlappen.

Het woord kapitaal staat niet voor personen maar voor de wijze hoe de economie functioneert.

Beste schema: -
-
De subjectieve klassenstructuur: niet de vorm van een piramide maar van een ui. Iedereen deelt zich gevoelsmatig in bij de middenklasse.

SOCIAAL-ECONOMISCHE STRUCTUUR, INDIVIDUALISERING EN ’ONDERKLASSE’

Individualisering in cultuursociologische termen: het besef van het ’ik’ als iets apart van andere ’ikken’. Het ik-besef betekent dat mensen zich losmaken uit grotere verbanden maar die verbanden zijn steeds anders en daarmee ook de betekenis van het ik-besef.

Individualisering heeft de oude klassieke klassenscheidslijnen doorbroken. In combinatie met de aanwezigheid van collectieve voorzieningen heeft het opwaartse sociale mobiliteit gestimuleerd. In die zin heeft het de sociaalstructurele differentiatie van sociale klassen vergroot. Dit heeft een depolitiserend effect, ieder kan het voor zichzelf maken. Collectieve verantwoordelijkheid neemt dan af.

De ambivalentie van individualisme: het betekent zich vrijmaken van maar kan omslaan in egoοsme en onverschilligheid.

Kort besluit: sociaal-economische structuur en politiek

Ooit zijn op basis van klassenposities met name sociaaldemocratische, maar ook liberale partijen opgericht en voor lange tijd vertaalde de tegenstelling arbeid-kapitaal zich in de politieke strijd tussen socialisme en liberalisme.

De sociale differentiatie van de afgelopen decennia met als toppunt de individualisering heeft echter tot een vervaging van de traditionele tegenstellingen geleid. Deze ontwikkeling kan men ook als politisering en vervolgens depolitisering van klassenverhoudingen beschrijven.

De sociale posities die mensen innemen zijn van invloed op de vorming van hun politieke belangen en hun politieke voorkeuren.

In deze posities doen mensen ervaringen op die zij mede bepaald door hun socialisatie en door invloeden van bijv. de media al dan niet verwerken tot politieke standpunten en die bijdragen tot de vorming van hun politieke identiteit.

2. SEKSEVERHOUDINGEN, FEMINISME EN VERKLARINGEN VOOR ASYMMETRIE




Voor veel mensen ligt een belangrijk deel van hun identiteit en toekomst al besloten in het bij geboorte meegekregen geslachtsorgaan. Sekseverhoudingen hebben tot op de dag van vandaag een enorme impact op het dagelijks leven

SEKSEVERHOUDINGEN

Kanttekeningen bij verbeteringen:


Lagere lonen komen door lagere waardering werk vrouwen. Ook hebben vrouwen door kinderen minder werkervaring. Plus geringe organisatieniveau.

INVLOEDRIJKE FACTOREN

Oorzaken:

Feminisme

Het feminisme stelt patriarchale verhoudingen aan de kaak. Pater betekent vader en arche eerste of heerser. Patriarchale samenlevingen: waarin vrouwen een achtergestelde positie hebben, of: een maatschappij waarin het de verhouding tussen de seksen gebaseerd is op normen, waarden en gedragswijzen die voor vrouwen een inferieure en voor mannen een superieure plaats en betekenis tot gevolg hebben.

Het feminisme is een beweging die naar een verbetering van de sociale status van vrouwen streeft.

Eerste golf: thema is gelijke rechten voor vrouwen, jaren ’50 van de 19e eeuw, hoogtepunt rond de eeuwwisseling. Tweede golf: van grofweg 1968 tot 1985 richtte zich sterker op de persoonlijke ontwikkeling en vergroting van de maatschappelijke waardering van vrouwen.

Vrouwenstemrecht: 1919. 1957: vrouwen handelingsbekwaam. Het persoonlijke wordt politiek. 1968: oprichting Man Vrouw Maatschappij – Joke Smit is een van de oprichters. 1969: Dolle Mina.

In de jaren ’80 wordt het feminisme minder en verschuift het naar de academische wereld. Er wordt nu gesproken van asymmetrische sekseverhoudingen. Van socialisme is nog nauwelijks sprake.

Op zoek naar een verklaring

Volgens feministes zijn verschillen tussen mannen en vrouwen geen natuurlijk/aangeboren gegeven (nature) maar worden eigenschappen en gedragspatronen gevormd door de samenleving en door leerprocessen (nurture), door wat samenvattend socialisatie wordt genoemd.

Om dit te verduidelijken maakt het feminisme een onderscheid tussen sekse en gender.

Sekse slaat op: de biologisch bepaalde, fysieke verschillen tussen mannen en vrouwen. Gender, te vertalen met geslachtsidentiteit, op: de in socialisatieprocessen gevormde eigenschappen die als mannelijk of vrouwelijk omschreven worden.

De centrale boodschap van de hier tegenover staande sociobiologische ofwel nature theorieën is dat sociale ongelijkheden zoals die tussen de seksen maar ook tussen klassen en rassen natuurlijke verschijnselen zijn die in de genen verankerd liggen. Intelligentie, agressiviteit en in het algemeen mannelijkheid en vrouwelijkheid zijn dus verschijnselen die volgens deze visie in hoge mate biologisch vastliggen.


SEKSEVERSCHILLEN Richard Lippa soms in zijn boek ’Gender, nature and nurture’ een aantal verschillen tussen mannen en vrouwen op. Hij baseert zich hierbij op meta-analyses, dit zijn overkoepelende analyses van vele studies over hetzelfde onderwerp. Uitkomsten:

•
  • Mannen blijken gemiddeld iets assertiever en agressiever, terwijl vrouwen meer risico mijden en meer tender-minded zijn.
  • •
  • Op seksueel gebied beoordelen mannen casual geslachtsgemeenschap positiever.
  • •
  • Vrouwen blijken beter in het uitstellen van seksuele behoeften.
  • •
  • In partnerkeuze hechten vrouwen meer belang aan sociale klasse en ambitie, terwijl mannen aantrekkelijkheid gemiddeld hoger achten.
  • •
  • Vrouwen werken liever met mensen (onderwijs, zorg) en mannen liever met dingen (techniek).
  • Vrouwen zijn iets beter in het begrijpen en bedrijven van zowel verbale als non-verbale communicatie terwijl mannen gemiddeld iets beter scoren in wiskundige en visueel-ruimtelijke tests.


  • • Al deze verschillen zijn echter veel kleiner dan fysieke verschillen (lengte, gewicht en kracht).

    ’NATURE’ OF SOCIOBIOLOGISCHE VERKLARING

    Volgens de sociobiologische verklaring vinden bovengenoemde sekseverschillen hun oorsprong in genetische en hormonale verschillen tussen mannen en vrouwen. Sekseverschillen zijn statisch en berusten ’op een biologische, wetenschappelijk te verifiëren grondslag’. Aldus Moir en Jessel (van het boek Brain Sex): de samenleving versterkt alleen maar de natuurlijke verschillen.

    De oorsprong van de verschillen zien sociobiologen in de honderdduizenden jaren die voorafgingen aan het Neolithicum. In deze tijd was de materiële reproductie van mensen gebaseerd op de jacht en het verzamelen van voedsel. Omdat vrouwen min of meer permanent zwanger waren, verrichtten zij het werk in de buurt van de verblijfplaats van de groep, terwijl de jacht op grote dieren en de oorlog aan de mannen was toebedeeld. Daarmee ontstond niet alleen de seksespecifieke arbeidsdeling maar vormde zich ook de genetische code van vrouwelijkheid en mannelijkheid.

    Volgens hen hebben de patriarchale verhoudingen en de taakverdeling op de arbeidsmarkt een biologische oorsprong. Alles ligt eigenlijk vast: de hersenen en de hormonen verklaren ons gedrag en de eigenschappen van mannelijkheid en vrouwelijkheid, de hormonen structuren de hersenen en de genen bepalen de samenstelling van onze hormonen. Wie in de sekseverschillen en de daruit voortvloeiende sociale verhoudingen verandering wil brengen zal dan ook ’de biologische cocktail van de schepping opnieuw moeten mixen’.

    Het is nauwelijks mogelijk om door middel van experimenten te achterhalen welk van deze twee complexen of welke combinatie ervan in welk oorzakelijk verband met de eigenschappen en gedragingen van mannen en vrouwen staat. Dit betekent dat men slechts kan proberen bepaalde verbanden aannemelijk te maken.

    Toch is de vraag naar biologische oorzaken van de seksverschillen legitiem. Er zijn immers verschillen tussen de seksen, zoals de lichamelijke geslachtskenmerken, die onmogelijk veroorzaakt kunnen zijn door sociale factoren. Waarom zouden andere seksverschillen dan niet eveneens biologische oorzaken hebben?

    Logischerwijs moet men om dit aannemelijk te maken aantonen dat:

    • De specifieke eigenschappen en gedragingen van de twee seksen universeel zijn, dat wil zeggen in elke historische fase (voorzover men dat kan nagaan) en in elke cultuur kunnen worden aangetroffen. •
    • De verschillen in hormoonhuishouding en structuur van de hersenen van vrouwen en mannen duidelijk geοdentificeerd kunnen worden en gerelateerd aan bepaalde eigenschappen en gedragingen.
    • De verschillen in de hersenen en in de hormoonhuishouding niet afhankelijk zijn van sociale factoren. •
    •
    Uit onderzoek tussen verschillende culturen en historische fasen is gebleken dat deels terug te vinden valt dat overal dezelfde verschillen voorkomen maar bijv. in Nieuw Guinea vond Margeret Mead juist dat vrouwen overwegend agressief waren en mannen zacht. In sommige stammen namen de vrouwen deel aan de grote jacht, de handel in bepaalde delen van Afrika was min of meer een exclusieve taak van de vrouwen en er zijn in alle streken van de wereld volkeren waar de verzorging va kleine kinderen niet door de moeders wordt gedaan, maar door de grotere kinderen en/of door ouderen.

    Het is echter moeilijk om dergelijk antropologisch onderzoek te controleren. De culturele antropologie nuanceert en relativeert wel sociobiologische theorieën.

    Hoewel nog omstreden, lijkt uit onderzoeken naar voren te komen dat mannelijke en vrouwelijke hersenen op bepaalde terreinen gemiddeld licht verschillen. Mannelijke hersenen lijken meer ’gescheiden’ (lateralized) dan vrouwelijke: er is meer onderscheid en minder samenwerking tussen de linker en rechter hersenhelft. De linker hersenhelft (verantwoordelijk voor bijv. het spraakvermogen) is verhoudingsgewijs groter bij vrouwen dan bij mannen. Sommige delen van de hypothalamus (verantwoordelijk voor essentiële motieven zoals honger, dorst, agressie en seks) zijn groter bij mannen dan bij vrouwen. Verder zou een hoog testosteron (mannelijk geslachtshormoon) gehalte leiden tot agressie, het begaan van misdaden en het hebben van meer seksuele partners. Testosteron zou bovendien ruimtelijk inzicht bevorderen, hoewel een teveel aan testosteron weer averechts werkt.

    Er lijkt een zekere samenhang te bestaan tussen geslacht, verschillen in hersenstructuren en hormoonhuishouding en verschillen in mannelijke en vrouwelijke eigenschappen en gedragingen. Dit zegt echter nog niets over het derde bovengenoemde punt, de oorzaken van deze verschillen: is het de natuur die deze verschillen al bij embryo’s veroorzaakt, of kunnen ook factoren van buitenaf dergelijke verschillen teweeg brengen?

    Testosteron is per definitie in grotere mate aanwezig bij mannen dan bij vrouwen (dit zorgt er namelijk voor dat een eicel een jongen wordt) en als er bepaalde eigenschappen of gedragingen duidelijk gerelateerd kunnen worden aan dit hormoon, lijkt een natuurlijk sekseverschil dus aannemelijk. Aa de andere kant zijn de verschillen in hormoonhuishoudingen van mannen en vrouwen vele maten groter dan verschillen in eigenschappen en gedragingen. Van een 1 op 1 relatie tussen aan het geslacht gerelateerde hormonen en eigenschappen kan dus geen sprake zijn.

    Het is essentieel om op te merken dat hormonen ook onderhevig zijn aan invloeden van sociale en andere omgevingsfactoren. Elke rechtlijnige determinatie van het gedrag door de genen via de hormonen en hersenen is daardoor uitgesloten. Bovendien wordt de ontwikkeling van hersenen direct beοnvloed door omgevingsfactoren. Hersenen vormen zich een heel leven lang. Ze zijn te trainen, maar kunnen ook functies verliezen als ze nooit gebruikt worden.

    Nurture, of de sociale constructie van geslachtsidentiteit en sekseverhoudingen

    Mensen vormen hun identiteit vanaf hun geboorte in processen van socialisatie (definitie hieronder).

    Dit is een proces waarin mensen tot leden van de maatschappij en ook tot leden van hun specifieke milieu in streek, buurt, beroep, sociale klasse en geslacht worden ’gemaakt’.

    In dit proces leert een kind de taal, het gedrag en de sociale vaardigheden die gangbaar zijn in de samenleving en in het betreffende milieu en past het zich aan aan de daarin bestaande gedragsverwachting door het leren en overnemen van normen en overtuigingen.

    Een geslachtsidentiteit wordt al op zeer jonge leeftijd aangeleerd. Hierin spelen zowel sociale (omgevings) als cognitieve factoren een rol. De ’social learning theory’ benadrukt het leer- en socialisatieproces dat kinderen ondergaan:

    Doordat zij steeds te horen krijgen dat zij een jongen dan wel meisje zijn, en doordat zij beloond worden dan wel bestraft worden voor het zich gedragen in overeenstemming met of in afwijking van geldende normen voor jongens en meisjesgedrag, passen kinderen zich hieraan aan.

    Ouders, in het bijzonder vaders, blijken seksespecifiek speelgedrag aan te moedigen. Bovendien worden jongens ruwer behandeld, praten en lachen ouders meer naar hun dochters en worden jongens eerder terechtgewezen als zij zielig doen. Veel ouders hebben bovendien bewust of onbewust nog altijd andere verwachtingspatronen van hun zonen dan van hun dochters, bijvoorbeeld op het gebied van exacte vakken.

    Ook docenten, vrienden en kennissen spelen hun rol in het socialisatieproces. Zo moedigen met name jongens hun vriendjes aan zich mannelijk te gedragen. Zij staan afwijkend gedrag niet toe en er wordt in strikt gescheiden jongens- en meisjesgroepen gespeeld. Ook jongeren in de pubertijd ’onderwijzen’ elkaar door middel van pesten en buitensluiten adequaat in normconform gedrag.

    Zijn individuen dan slechts meelopers die bijna willoos het voorbeeld van anderen opvolgen? Het blijkt dat ook cognitieve processen een rol spelen.

    Lawrence Kohlberg (1966): wijst er op dat kinderen zich al jong (vanaf zo’n drie jaar) bewust worden van hun geslacht en vanaf dat moment de voorkeur geven aan hierbij passend gedrag: ’Jongens in het algemeen lijken zich zo te gedragen, dus dan moet ik mij blijkbaar ook zo gedragen’. Dit is een zelf-socialisatieproces:

    Een kind leert zichzelf te labelen als jongen of meisje en past vervolgens zijn of haar eigen gedrag aan dit label aan. Het kind probeert het begrip geslacht te begrijpen en zich te gedragen naar het stereotype beeld van zijn of haar geslacht. Dit beeld zal het kind weer afleiden uit zijn of haar omgeving maar ook uit bijvoorbeeld de media.

    • De bewuste en onbewuste neiging tot aanpassing aan stereotypen kunnen leiden tot self-fulfilling prophecies.

    Stereotype-threat: wanneer vrouwen uit onzekerheid in een omgeving met veel mannen slechter gaan presteren. Vrouwen die van zichzelf overtuigd, direct en assertief zijn worden door hun omgeving afgeremd omdat dit van hen als vrouw niet verwacht wordt. Terwijl dit juist benodigde factoren zijn om te slagen in een competitieve zakelijke of academische wereld. Op deze manieren houden bewuste en onbewuste socialisatie patriarchale verhoudingen in stand.

    Een andere stabiliserende factor is ideologie: • Een geheel van fundamentele, politiek en maatschappelijk relevante denkbeelden en idealen, of in een engere betekenis als denkbeelden die bestaande verhoudingen, al dan niet met opzet, ten gunste van bepaalde belangen rechtvaardigen of verdoezelen. Voorbeelden: aspecten van de christelijke godsdienst en van de sociobiologische patriarchale ideologieën. •
    •
    Deze ideologieën worden al grotendeels overgebracht in socialisatieprocessen. Zij kunnen alleen echt een rol van betekenis spelen als zij algemeen aanvaard worden.

    De laatste stabiliserende factor die genoemd moet worden is de macht van bepaalde groepen. Voorbeeld: de regerende politieke partij die een traditionele samenleving nastreeft met voor vrouwen de taak van huisvrouw en moeder. Ander voorbeeld: een man die niet voelt voor een fundamentele verandering van de traditionele taakverdeling tussen de seksen kan deze trachten tegen te houden door er niet aan mee te werken. In indirecte zin is dit eveneens een uitoefening van macht.

    NATURE OF NURTURE? Concluderend kan men zeggen dat er weliswaar indicatie zijn van aangeboren verschillen maar dat nog maar weinig onomstotelijk is bewezen. Het speelt echter wel een rol. Het socialisatieproces vormt en transformeert ontegenzeggelijk de geslachtsidentiteiten en legt daarmee een basis voor de arbeidsdeling tussen de seksen.

    Vrouwen baren kinderen. Zij komen daardoor als eerste in aanmerking om de verzorging van het kind op zich te nemen. Deze verzorging vereist eigenschappen die vrouwelijk genoemd worden, en bindt vrouwen aan kinderen.

    Bestaat de taakverdeling tussen de seksen eenmaal, dan kunnen deze taakverdeling en de corresponderende geslachtsidentiteiten als vanzelfsprekend overkomen, doordat het moederen een biologisch bepaald, natuurlijk gegeven lijkt te zijn.

    Hierbij gaat het om de interpretatie die mensen geven aan biologische gegevens. Zelfs als de verschillen tussen seksen helemaal biologisch bepaald zouden zijn, waarom zou daaruit dan een inferieure positie van vrouwen uit voortvloeien? De enige verklaring zou de agressie en dominantie van mannen zijn (verklaard vanuit het testosteron gehalte) die de minder agressieven (vrouwen dus) onderwerpen. Zo simpel zit de wereld echter niet in elkaar.

    Toekomst

    Feminisme is uit, het is een begrip waarmee de meeste jonge vrouwen zich niet mee wensen te associëren. Vrouwenemancipatie was vroeger, dat is nu wel klaar. Toch blijkt dat er nog heel wat moet gebeuren voordat mannen en vrouwen echt gelijke kansen hebben en ook gelijk behandeld worden.

    Er is steeds meer aandacht voor de economische aspecten van een veranderende positie van de vrouw, de economische voordelen die men uit vrouwenparticipatie op de arbeidsmarkt kan behalen. Het expliciete emancipatoire doel van maatregelen ter stimulering van arbeidsparticipatie van vrouwen lijkt hiermee te zijn losgelaten. Arbeidsparticipatie van vrouwen dient een algemeen doel.

    Een ander issue dat de komende jaren nog vaak op de agenda zal staan of in elk geval zou moeten staan is de emancipatie van allochtone vrouwen uit een eventueel islamitische cultuur. De vraag is echter of je emancipatie van boven en van buitenaf kan opleggen.

    3. Cultuur, collectieve identiteit, politieke cultuur



    Cultuur: Het geheel van de regels waaraan sociale interactie en communicatie zijn gebonden; aan de taal, aan normen, waarden, gebruiken, omgangsvormen en aan de beeldvorming over onszelf en over anderen. De cultuur van een maatschappij is niet zonder invloed op de politiek en ze is tevens een aspect van de politiek.

    Een specifiek aspect van cultuur is politieke cultuur. In de politicologie worden daar meestal de waarden mee bedoeld aan de hand waarvan burgers en politieke instanties verondersteld worden zich in hun politieke gedrag te oriënteren. Een alternatieve omschrijving legt de nadruk meer op de feitelijke politieke interactiepatronen van mensen en instanties.

    Het centrale onderwerp van de politieke wetenschap is de bestudering van politieke cultuur.

    Cultuur en collectieve identiteit

    Culturele diversiteit Cultuur: refereert aan de gehele levenswijze van een samenleving of in het geval van subculturen aan de levenswijze van segmenten van de samenleving. Cultuur duidt aan hoe mensen zich kleden, wat ze eten, wat voor – bijvoorbeeld godsdienstige – rituelen ze erop na houden, hoe ze hun tijd besteden, hoe ze wonen, hoe ze omgaan met hun lichaam, hoe ze zich presenteren aan anderen, van welke dingen ze het bezit op prijs stellen en hoe ze onderling met elkaar, vrouwen met mannen, volwassenen met kinderen en meerderheden met minderheden omgaan en wat voor hiërarchieën ze in dit verband vormen.

    Taal is ook een aspect van cultuur. Taal en dialect verlenen iemand een deel van zijn culturele identiteit; naast een ander uiterlijk is taal het eerste teken van ’anders zijn’. Taal is verder een transportmiddel van culturele inhouden inclusief politiek-culturele inhouden. Woorden hebben een feitelijke betekenis maar ze zeggen tevens iets anders. En dan zijn er ook nog woorden die facetten van een levenswijze laten doorschemeren.

    Centraal voor cultuur zijn, zoals gezegd, de normen en waarden die het gedrag van mensen structureren respectievelijk aan de hand waarvan de mensen zich in hun gedrag oriënteren.
    Normen: de aanvaarde principes van wat hoort en niet hoort, wat mag en niet mag, van wat goed en slecht is. Het verwijst naar wat mensen ’normaal’ achten en wat zij in hun interactie van anderen verwachten.
    Waarden: idealen, die men nastreeft. Culturele diversiteit is 1 van de opvallendste kenmerken van de sociale wereld.

    Diepgaand zijn de culturele verschillen in de sekseverhoudingen, in de normen die de diverse godsdiensten bevatten en in de rol die men in het dagelijkse leven aan de godsdienst toekent. Vrouwelijkheid en mannelijkheid worden in de verschillende streken van de wereld verschillend ingevuld en de rechten van de beide seksen lopen uiteen. In de ene cultuur zijn monogame relaties de norm, in een andere zijn polygame relaties of preciezer ’polygene’ relaties, waarin 1 man meerdere vrouwen heeft, evenzeer toegestaan (het omgekeerd geval, polyandrie is nergens de norm).

    Een verbinding van elementen uit de christelijke ethiek met waarden en normen uit het liberalisme en de Verlichting structureert een deel van de Nederlandse levenswijze maar voor het overige wordt het beeld bepaald door subculturen van regio’s, sociaaleconomische strata, generaties en door culturele verandering op gebieden als mode en smaak.

    Culturele veranderingen: secularisatie, liberalisering, consumentisme

    Hoe abstract secularisatie en culturele verandering ook zijn, voor niet-westerse culturen zijn deze grootheden misschien het kenmerk van de cultuur in een land als Nederland. In dit rijtje horen ook de afkalving van het ontzag voor tradities en autoriteiten en de liberalisering van de omgangsvormen thuis.

    De zogenaamde moderniseringsprocessen worden oorzakelijk in verband gebracht met de in de jaren ’60 accelererende economische, sociaalstructurele, sociaalgeografische en educatieve veranderingen.

    Het ouderlijk huis en de lokale gemeenschap moesten voortaan hun invloed delen met de massamedia. Het voortgezet onderwijs en de moderne verkeersmiddelen openden de weg naar de grote wereld.

    Dit zijn bewijzen dat culturen historisch groeien en vergaan, het zijn geen vaste eigenschappen van volken. Er bestaat geen 1 Nederlandse ’volkaard’, geen eigen vaststaande nationale cultuur.

    Er is ook een cultureel universaliseringsproces gaande. Overal worden min of meer dezelfde televisieseries uitgezonden, dezelfde producten aangeboden, dezelfde ’fast food’ restaurants geopend en in het onderwijs wordt in toenemende mate hetzelfde geleerd.

    De trend van culturele universalisering heeft 2 dimensies: • De verschillende bevolkingsgroepen in elk land en elke streek zijn in elk opzich dragers van vergelijkbare waarden en normen. • Cultuur verandert tot een soort winkel van culturen. •
    •
    De recente culturele veranderingstrends worden ook aangeduid met de trefwoorden ’ik-tijdperk’, hedonisme en consumentisme. Er is een toegenomen individualisering en individuen hebben zelfontplooiing als hun voornaamste doelstelling.

    Daniel Bell (1976): deze ontwikkeling is slecht voor westerse economische ontwikkeling, protestantse ethiek is goed.

    Collectieve identiteit, nationale identiteit

    Wanneer culturen met elkaar in conflict raken, dan botsen niet de culturen als zodanig, maar de mensen die een collectieve identiteit aan hun cultuur ontlenen. Identiteit: alles wat men een onderscheidend kenmerk van zichzelf vindt.

    Op het moment dat men een onderscheidend kenmerk met anderen deelt kan dit kenmerk formatief zijn voor een collectieve identiteit, voor een groeps- of ’wij-identiteit’.

    De meest voorkomende collectieve identiteiten zijn: nationale, godsdienstige en aan de plaats in de sociale hierarchie van inkomen, kwalificatie en bezit ontleende identiteiten. In het laatste geval wordt meestal van klasse-, stands- of statusbewustzijn gesproken.

    Verder kunnen collectieve identiteiten ook betrekking hebben op een voetbalclub, op een wetenschappelijke ’school’ of simpelweg op een bepaalde subcultuur.

    Kenmerken van collectieve identiteit zijn: a) Waarden, normen of denkbeelden die de leden van een groep ofwel de ’dragers’ van een identiteit respectievelijk nastreven, volgen of beamen; (normen etc. vormen de basis) b) De wetenschap of op zijn minst de veronderstelling dat anderen deze waarden, normen of denkbeelden delen; (dit zorgt voor erkenning) c) Een affectieve binding aan deze waarden, normen of denkbeelden; (erkenning vervult een sociale behoefte, dit zorgt voor affectieve binding) d) Het vanzelfsprekende karakter ervan en; (dit komt door de affectieve binding) e) De afbakening van de groep ten op zichte van andere groepen, waaraan vaak een ’verhaal’ over de eigenschappen en de geschiedenis van de groep gekoppeld is. (door de vaste normen etc. kan je niet bij groepen horen die er weer andere regels op nahouden, culturele verschillen worden dus geconstrueerd). Men kan door de verdeeldheid onderling in een land vaak nauwelijks van een nationale cultuur spreken (op de taal en het politiek-juridisch systeem na) maar toch behoren nationale identiteiten tot de sterkst geaccentueerde collectieve identiteiten.

    Nationale identiteit wordt in hoge mate ontleend aan de geschiedenis van een land die wij in het onderwijs leren. Individuen worden behandeld aan aangesproken als ’exemplaren’ van een nationaliteit. In die eigenschap heeft men ook kiesrecht en andere rechten en plichten. Internationale contacten en confrontaties (oorlogen inbegrepen) leiden tot specifieke nationale eigenschappen: Fransen zijn levensgenieters, Duitsers autoritair, enzovoort. Dit alles heeft een hoog mythe gehalte. Naties worden dan ook wel als ’imagined communities’ omschreven.

    Dit is een negatief aspect van collectieve identiteit: positieve stereotypen kunnen gevormd worden over de eigen referentiegroep en negatieve stereotypen van anderen. Deze stereotypen kunnen leiden tot vooroordelen. Gevoelsmatige culturele bindingen lijken een deel van de verklaring te zijn voor op cultuur gebaseerd uitsluitingsgedrag (homo’s zijn vies e.d.). Mensen willen hun eigen cultuur herbevestigen. Etniciteit, racisme, nationalisme

    Ook deze zeer actuele verschijnselen hebben te maken met collectieve identiteiten. Het verschil is echter dat het zich onderscheiden van anderen hier de vorm van afwijzing en discriminatie heeft gekregen en dat er eventueel geweld in het spel is.

    Etniciteit: dat is de basisvorm, ook historisch, en het komt erop neer dat men met mensen van (bepaalde) andere culturen, die men inferieur acht, niets te maken wil hebben en zich tegen hen afschermt. Voorbeelden: endogamieprincipe joodse volk, afwijzing van homoseksuelen, vreemdelingenhaat rechtse partijen. Tegenwoordig hebben we echter vooral te maken met een mengelmoes van etniciteit, racisme en nationalisme.

    Racisme: het etnische wij-zij-patroon wordt toegepast op fysieke verschillen en uit deze verschillen worden culturele en intellectuele kenmerken afgeleid (’wij blanken zijn superieur’) die vervolgens de basis vormen voor discriminatie en onderdrukking. Voorbeelden: het indiase kastenstelsel, het westerse kolonialisme en de negerslavernij.

    Door het noemen van landen haalt men ook de nationalistische dimensie erbij. Nationalisme: gekoppeld aan het bestaan van naties en naties aan het bestaan van nationale staten. Een staat is een territorium met een politiek centrum, een nationale staat is een territorium met een politiek centrum en een bevolking waarvan de overgrote meerderheid een nationale, aan dit territorium gerelateerde identiteit erop na houdt. Rusland en Spanje zijn dan weer multinationale staten (basken etc.). voorbeeld: Duits nationaal-socialisme. Het nationalisme is een vrij nieuw verschijnsel. Politieke cultuur

    De ’civic culture’ Als begin van het systematische onderzoek naar politieke cultuur wordt gewoonlijk ’The Civic Culture’ van Gabriel Almond en Sydney Verba uit 1963 beschouwd. Almond’s en Verba’s definitie van politieke cultuur: de specifieke politieke oriëntaties, de attitudes (normatieve opvattingen, waarden), van mensen over het politieke bestel en de rol van henzelf in het politieke systeem. Het is een oriëntatie naar een bepaald aantal sociale objecten en processen.

    Talcott Parsons: ging er van uit dat samenlevingen in zekere zin vergelijkbaar zijn met biologische organismen. Een samenleving moet functioneel gestructureerd zijn en in deze zin een samenhangend geheel, een systeem, vormen.

    Elke maatschappij wordt volgens hem geconfronteerd met vier basisproblemen: • De aanpassing aan de (natuurlijke) omgeving (hiervoor dient het economische deelsysteem te zorgen ofwel functioneel te zijn); •
    • De realisatie van doelstellingen (hiervoor dient het politieke deelsysteem te zorgen); •
    • Het bereiken van maatschappelijke integratie (dit is de taak van het culturele subsyteem); •
    • De instandhouding van een functionele normatieve orde ofwel van een functionele cultuur (dit is met name een taak van socialisatieprocessen). •
    •
    Almond en Verba richtten hun aandacht vooral op het integratieprobleem en vroegen wat de kenmerken moeten zijn van een politieke cultuur die de stabiliteit van het democratische politieke bestel kan bewerkstelligen. De politieke cultuur die deze kenmerken vertoont, noemden zij ’civic culture’.

    Civic culture houdt volgens hen in: de Angelsaksische politieke cultuur.

    De centrale elementen die de Angelsaksische politieke cultuur tot een ’civic culture’ maken zijn: • Een begrensde polarisatie tussen de maatschappelijke blokken en de politieke partijen. • Een uitgebalanseerde verhouding tussen politiek activisme van een minderheid en politieke passiviteit van de meerderheid. • Het activisme is daarbij gebaseerd op verantwoordelijkheidsbesef en het naleven van democratische principes, dit noemden zij ’citizen competence’. • De passiviteit is gebaseerd op een hoge mate van vertrouwen in de democratie alsmede op respect voor democratisch genomen beslissingen, dit noemden zij ’subject competence’. •
    •
    Duitsland en Italie scoorden slecht op civic culture, Italie nog steeds maar inmiddels heeft Duitsland de status van civic culture bereikt. Het model van Almond en Verba is in principe herformuleerdbaar voor een theorie van de participatie-democratie.


    Materialisme versus postmaterialisme

    In de tweede helft van de jaren ’60 verlegde het onderzoek van de politieke wetenschap zich naar de veranderingen van politieke cultuur i.p.v. naar de stabilisatie van politieke cultuur.

    Ronald Inglehart: heeft een theorie over de verschuiving van de overheersende rol van materialistische waarden naar postmaterialistische waarden. Enerzijds continuοteit ten op zichte van Almond en Verba maar ook verenging van het politiek-culturele onderzoek. Inglehart constateert dat waarden als zelfontplooiing en democratische participatie aan betekenis winnen, en brengt dit in verband met de economische ontwikkeling. Wanneer materiële goederen schaars zijn hebben de materiële behoeften volgens hem voor de mensen prioriteit. Naarmate de welvaart vordert, verschuift de prioriteit echter naar niet-materiële behoeften. Er treedt op wat Inglehart ’diminishing marginal utility of economic determinism’ noemt.

    Abraham Maslow dacht hetzelfde: eten en drinken eerst en dan pas komen dingen als liefde, zelfontplooiing en politieke idealen. De behoeftenhiërarchie. Inglehart noemde het waardepatroon waarin materiële behoeften centraal staan materialistisch en het waardepatroon waarin ontplooiingsidealen dominant zijn postmaterialistisch.

    Een tweede kernpunt van Inglehart was dat de waarden waarin mensen in hun vroegste jeugd gesocialiseerd worden hun hele leven formatief zullen blijven voor hun gedrag. Wie materialistisch opgroeit blijft materialistisch, en hetzelfde geld voor het postmaterialisme. Ingleharts hypothese: dat de toename van zelfontplooiingswaarden vanaf de jaren ’70 kunnen verklaard worden door de toegenomen welvaart in de tijd (vanaf de jaren ’50 dus) dat de postmaterialisten gesocialiseerd werden.

    Kernvragen Inglehart: prioriteit aan waarden betreffende de openbare orde en prijsstabiliteit (materialisme) of aan waarden betreffende politieke inspraak en de vrijheid van meningsuiting (postmaterialisme). Er is echter ook sociaal-psychologisch gemotiveerd materialisme (materialisme vanuit een behoefte naar erkenning). Inglehart laat na prioriteiten in een context van tegenstrijdige waarden te identificeren. Onverklaarbaar met zijn theorie is de actuele drang weer naar materialistische waarden. Politieke cultuur als levenswijze

    Thompson, Ellis en Wildavsky presenteren (politieke) cultuur als een ’way of life) i.p.v. een subjectieve oriëntatie. Dit doen zij in hun boek ’Cultural Theory’. Cultuur is dan een objectief-subjectieve grootheid die zowel het daadwerkelijk gedrag van de mensen als de waarden die zij het nastreven waard achten omvat. Cultuur is volgens hen: de eenheid van instituties en waarden waarbij het begrip institutie conform het ’nieuwe institutionalisme’ als synoniem van het begrip norm wordt gebruikt. Kern van cultuur is volgens hen: de normen die aan de interactie van mensen bepaalde patronen verlenen. Politieke cultuur omschrijven zij niet expliciet omdat er verschillend over gedacht kan worden.

    Centraal in hun boek: de constructie van ideale types van politieke cultuur. Het gaat hierbij om ideale types die in de werkelijkheid alleen bij benadering en in combinatie met elkaar kunnen voorkomen. Hun constructiecriteria zijn alternatieve interactiepatronen. De alternatieven worden bepaald door wat zij ’group’ en ’grid’ noemen, d.w.z. respectievelijk de mate van groepsvinding en normatieve reglementering van buiten.

    De auteurs onderscheiden vijf types van cultuur: 1. Egalitair: Group sterk en grid laag. (Algemene belang staat voorop) 2. Hiërarchisch: Group sterk en grid hoog. (wijst op etatisme, op een staatsgecentreerde samenleving) 3. Individualistisch: zowel Group als grid laag. (levert een anti-etatische samenleving op) 4. Fatalistisch: Group zwak en grid hoog. (enkelingen voelen zich machteloos in een door een andere groep gecontroleerde wereld) vb.: zwarte bevolking in de VS 5. Autonomistisch: zelfstandigheid en afwijzing van sociale controle. Vb: maffia in Italië 6.
    7.
    Grid = regulering van de enkeling ’van buiten’. Tot slot: aspecten van politieke cultuur in Nederland

    Als specifieke kenmerken van de politieke cultuur in Nederland worden meestal genoemd: a) De regentenmentaliteit en de verdraagzaamheid van de elites alsmede een relatief hoge mate van politieke onderdanigheid van de ’massa’ tijdens de verzuiling. b) Nadien de ontwikkeling van een ’permissive society’ bij uitstek en van een buitengewone politieke participatie- en protestcultuur en; c) Een grotere tolerantie dan in andere landen. d)
    e)
    Nederland is de overlegdemocratie bij uitstek. (centrale elementen zijn samenwerking, bereidheid tot de vorming van compromissen en zakelijkheid). In Nederland was er een slingerbeweging van zeer passief naar zeer actief in de jaren ’60. Eerst passiviteit, dan opmerkelijke activiteit en dan sinds de late jaren ’90 opeens de vermindering van vertrouwen in politieke en sociale instellingen. De ontevredenheid met het ’Haagse gebeuren’ groeide. Het vertrouwen in instellingen en de politiek daalde. Voorbeeld: het succes van politici als Fortuijn, Wilders en Verdonk.

    Tolerantie is (of was?) een nationale deugd. Tolerantie: acceptatie van anderszijn en afwijkend gedrag. We zijn 1 van de tolerantere landen maar niet noemenswaardig, vergeleken met andere landen. Volgens van Doorn is er sprake van ’tactische tolerantie’ in Nederland: men beschermt zichzelf door verdraagzaamheid, maar voor de rest is men onverschillig ten opzichte van anderen.

    4. Democratische norm en democratietheorie



    Een historische schets De westerse samenleving wordt democratisch genoemd. Wat is democratie en wat zijn de maatstaven om te beoordelen hoe democratisch landen zijn die zichzelf een democratie noemen? Definitie Griekse historicus Herodotus 2500 jaar geleden: heerschappij van het volk. De constitutionele karakterisering van democratie: soevereiniteit van het volk.

    REPRESENTATIEVE DEMOCRATIE Volgens het beeld dat zowel in onze alledaagse communicatie als in de media overheerst, is democratie een staatsvorm met politieke gelijkheid in de zin van algemeen kiesrecht, waarin het gekozen parlement wetgever is en de regering controleert en waar de vrijheid van meningsuiting en organisatie fundamentele rechten zijn.

    Dit is wederom een vrij jong verschijnsel.

    De democratische staat is het resultaat van revoluties en sociale strijd tijdens de afgelopen twee, drie eeuwen, waarin stapsgewijs de huidige standaard werd bereikt. Voortgeborduurd op de Griekse traditie en de Middeleeuwse standenparlementen. Het recht om te kiezen was lang een privilege van de blanke mannen en bovendien beperkt tot mannen die aan bepaalde kwalificaties beantwoordden. Dit zogenaamde censuskiesrecht heeft in de meeste landen tot aan het begin van deze eeuw bestaan.

    Tegen het eind van de 19e eeuw werden er in 3 landen algemeen mannenkiesrecht ingevoerd: Frankrijk, Noorwegen en Zwitserland. Vervolgens moest de Eerste Wereldoorlog te pas komen om overal in West-Europa het algemene mannenkiesrecht en de parlementaire democratie te installeren. En algemeen vrouwenkiesrecht kwam in sommige landen zelfs pas na de Tweede Wereldoorlog.

    Aparte gevallen zijn de democratisering van Zwitserland en de VS. In Zwitserland kregen vrouwen pas in 1971 kiesrecht en in het half-kanton Appenzell-Innerhoden pas sinds 1990. In de niet parlementaire, maar dualistische VD (president wordt onafhankelijk van het parlement gekozen en die benoemt de regering) kwam het algemene kiesrecht voor blanke mannen reeds in 1830. Maar de zwarte bevolking was in een aantal zuidelijke staten tot 1970 gedeeltelijk aan kiezersexamens onderworpen.

    WAT IS DEMOCRATIE? EEN PROBLEEMSCHETS Een algemeen aanvaarde definitie van democratie bestaat niet. Democratie is echter wel een normatieve grootheid, het is iets goeds wat landen na willen streven. Voor democratie wordt en werd gestreden.

    De implicatie is dat ook de democratietheorie een normatieve aangelegenheid is. Een ’empirische’ democratietheorie bestaat niet. Dit werd wel in de Amerikaanse politicologie van de jaren ’50 en ’60 gedacht. Ook Giovanni Sartori (1987) dacht dat ook.

    Men kan de politieke werkelijkheid van landen die zich democratisch noemen beschrijven maar daarmee ontwikkelt men nog geen democratietheorie. Als je een land democratisch noemt, dan argumenteer je normatief. De democratische theorievorming kan niet los worden gezien van de politieke strijd om democratie. Ze is een aspect ervan.

    Ieder zijn definitie van democratie moet echter gebaseerd zijn op een overweging van de volgende vragen: • Is democratie alleen een politieke vorm of betreft zij de organisatie van de gehele maatschappij? • Zou de democratie een op vrijheid gebaseerde samenleving moeten zijn waarin iedereen het recht en de mogelijkheid heeft mee te beslissen over die aangelegenheden waarvan zij of hij de gevolgen ondervindt? • Of alleen een ’system of control and limitation of government’ waarbij de central rol is weggelegd voor politieke elites? • Dienen democratische idealen realiseerbaar te zijn of zijn het idealen die weliswaar het nastreven waard zijn maar waarvan men weet dat ze onbereikbaar zijn? •
    •
    Liberalisme versus socialisme

    Het begin van de strijd voor en de moderne discussie over democratie is nauw gekoppeld aan de opkomst van de markteconomie binnen de feodale standenmaatschappij. De democratiseringsbeweging van de 17e en 18e eeuw moet daarom ook als een emancipatiebeweging van het ’possesive individualism’ worden gekarakteriseerd. Het ging om de adequate zeggenschap (gelijkheid) en om de onafhankelijkheid (vrijheid) van de ’derde stand’, dat wil zeggen de burgerij (die ruwweg bestond uit ondernemers, handelaren en kleine zelfstandigen in de steden; standen waren geen zuivere sociaal-economische categorieën).

    Maar reeds vanaf het einde van de 18e eeuw en vooral vanaf de 19e eeuw kwam er een emancipatiebeweging van de ’vierde stand’ (delen van de lagere burgerij en de arbeiders) op gang, die niet slechts voor burgerrechten streed maar en dat betreft dan de arbeidersbeweging die zich ook al keerde tegen (de uitwassen van) het nog prille kapitalisme en de daaraan ten grondslag liggende eigendomsverhoudingen.

    Met de burgerlijke en proletarische emancipatiebewegingen corresponderen ook 2 verschillende opvattingen over democratie die tot op de dag van vandaag de discussie over democratie zijn blijven bepalen. De begrippen liberalisme en socialisme representeren deze 2 opvattingen.

    Belangrijke personen die deze opvattingen onder woorden brachten: John Locke en Karl Marx maar ook meer in het midden: Jean-Jacques Rousseau, vooral staatstrechterlijk: James Madison. Bij allen loopt een lijn waarin de bescherming van het individu tegen een sterke staat centraal staat. Deze lijn is de individualistische traditie. Daartegenover staat de continentale meer collectivistische lijn van Rousseau tot Marx. John Stuart Mill probeerde alles met elkaar te verenigen.

    Vrijheid, gelijkheid en democratie bij Locke, Rousseau en Madison

    Locke Van geboorte ofwel in natuurlijke staat zijn alle mensen vrij en gelijk. Dat is de boodschap van de liberale theoretici van de 17e en 18e eeuw. John Locke (1632-1704) geldt als diegene die deze boodschap het duidelijkst onder woorden heeft gebracht. Aan de vrijheid en gelijkheid van mensen heeft hij ook de consequentie van de soevereiniteit van het volk, slaven en vrouwen uitgezonderd, verbonden. Thomas Hobbes (1588-1679) rechtvaardigde echter het absolutisme omdat de uiteenlopende belangen van een bevolking anders niet te verenigen zouden zijn. Locke zag volkssoevereiniteit als de soevereiniteit van eigenaren: eigenaren van hun eigen persoon, hun vrijheid en van wat zij door hun werk geproduceerd hebben (’life, liberty and estate’). De centrale taak van de politieke eenheid is daarom de ’preservation of property’.

    Het probleem van belangentegenstellingen lost Locke op door de maatschappij als resultaat van een contract te construeren waarin de mensen overeen zijn gekomen, het recht wetten te maken te delegeren aan de gemeenschap. De legislatieve macht ligt bij de gekozen representanten van het volk. Of deze dan ook de regering benoemen, wat neer zou komen op ’perfect democracy’ zouden ze maar zelf uitmaken.

    Locke maakt onderscheid wat betreft politieke rechten tussen hen die behalve zichzelf ook nog productief vermogen bezitten en hen die niets dan zichzelf bezitten, zeg maar de dagloners van zijn tijd. Locke’s democratie is dus een gekwalificeerde volkssoevereiniteit.

    Locke’s ideeën over volkssoevereiniteit zijn van het model van ’perfecte democratie’ ver verwijderd. Locke had geen problemen mt het verenigen van economische ongelijkheid en volkssoevereiniteit (in tegenstelling tot Rousseau, zie hieronder).

    Rousseau Bij Rousseau gaat het ook om een republiek van eigenaren. Het recht op eigendom is het ’heiligste van alle burgerrechten’ zegt hij in zijn ’Politieke Economie’ van 1755 en de eigendom is de grondslag van het ’sociale contract’ dat mensen met elkaar sluiten wanneer zij een maatschappij stichten.

    Rousseau nam in tegenstelling tot Locke een kritische houding aan tegenover de burgerlijke maatschappij in opkomst. Het sociale contract heeft ertoe geleid, analyseert hij in zijn ’Discours sur l’origine de l ’inequalite’ van eveneens 1755, dat de rijken rijker zijn geworden en dat voor de armen de toegang tot eigendom geblokkeerd bleef.

    In zijn ’Contrat Social’ van 1762, zijn meest beroemde werk met als openingszin ’Man was born free, and he is everywhere in chains’ ontwerpt hij een model van een op vrijheid en gelijkheid gebaseerde republiek. Een redelijk nivau van materiële gelijkheid beschouw hij als een centrale vereiste voor het functioneren van zo’n republiek: ’No citizen shall be rich enough to buy another and none sop oor as to be forced to sell himself’.

    Hij had blijkbaar een kleinschalige republiek voor ogen louter bestaande uit de kleine burgerij. En iedereen heeft dezelfde rechten, de vrouwen uiteraard weer uitgezonderd. Daarmee radicaliseerde hij het ideaal van soevereiniteit van het volk: volkssoevereiniteit is de soevereiniteit van vrije en materieel enigszins gelijke mensen. En dit ideaal was niet zonder invloed op de Franse revolutie dertig jaar later en daarmee op de wereldgeschiedenis. Hij stond voor directe democratie. Hij sprak zelf over ’pure democratie’. Kritiek: Rousseau’s algemene wil is een wazige grootheid. Een perfect regering waarbij mensen onderling beslissen hoe bestuurd wordt worden is niet mogelijk.

    Madison In tegenstelling tot Rousseau was Madison een principieel voorstander van individuele vrijheid en representatieve democratie. Zelfs in kleinschalige en overzichtelijke omstandigheden krijgt men de mensen niet zo gelijk dat er helemaal geen belangentegenstellingen meer bestaan. Het gevaar dat de mensen elkaar wederzijds de hoofden inslaan of dat de meerderheid de minderheid onderdrukt is daarmee dus niet uit de wereld.

    Dit spreekt niet voor een verlicht absolutisme a la Hobbes maar wel tegen directe en voor representatieve democratie. De eerste zou namelijk de opeenhoping van alle macht in dezelfde handen met zich meebrengen. En daarin zit het gevaar van willekeurige heerschappij van de meerderheid, die de minderheid van haar ’natuurlijke rechten’ berooft.

    In een representatieve democratie is het daarentegen mogelijk de machten (wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht) te scheiden. In de Amerikaanse constitutie, die een dualistische democratie voorschrijft, is deze scheiding dan ook consequent doorgevoerd. Parlement en president worden onafhankelijk van elkaar gekozen en kunnen elkaar met veto’s bestoken, en het constitutionele hof toetst de gehele wetgeving aan de grondwet.

    Deze ’checks and balances’ voorkomen de vorming van een sterke staat. Model hiervoor stond de 17-eeuwse Engelse monarchie zoals die beschreven en verdedigd werd door Monteaquieu in zijn ’De l’Esprit des Lois’. Madison herhaalt de argumenten van deze Franse aristocraat met het essentiële verschil dat de laatstgenoemde erfelijke privileges (adel, monarchie) aanvaardt en maar een beperkte volkssoevereiniteit wenselijk acht.

    Democratie tegen kapitalisme

    Rousseau’s ideaal van een op gelijkheid gebaseerde democratie werd opgepakt door de socialisten die in het kielzog van het industrieel kapitalisme op het toneel van de geschiedenis verschenen. Volgens hen was kapitalistisch privaateigendom en het daarop gebaseerde winststreven van de ondernemingen ten koste van de arbeiders niet te verenigen met de democratische waarden van vrijheid en gelijkheid voor allen.

    Marx drijft de spot met burgerlijke vrijheid en gelijkheid onder het kapitalisme. De arbeiders hebben volgens hem slechts de vrijheid om hun arbeidskracht te verkopen en de algemene, abstracte gelijkheid bestaat slechts in de ruil van waren, waar iedereen aan dezelfde maatstad van het geld onderworpen is.

    Utilitaristische leer van de liberale politieke economen: als iedereen maar naar vermogen aan de productie voor de markt deelneemer, is dit in materieel opzicht optimaal voor zowel de samenleving als geheel als voor iedere enkeling. Economische en politieke vrijheid gaan daarbij samen.

    Leverde het klassieke liberalisme in de 18e eeuw de overheersende invulling van het begrip democratie, vanaf het midden van de 19e eeuw waren het de socialistische of sociaal-democratische (zo noemde men zich meestal) bewegingen die dit begrip gingen ’bezetten’. Het dominante democratische ideaal was nu letterlijk een sociaal-democratisch ideaal geworden. Centraal stonden in deze interpretatie niet alleen politieke vrijheid en gelijkheid maar ook materiële gelijkheid. Men ging er van uit dat als er nou eenmaal meer economische gelijkheid kwam de democratie vanuit de hemel op aarde zou vallen.

    De liberalen werden in de strijd van de 19e eeuw meer conservatief en vonden het recht op particulier onbelemmerd eigendom van de productiemiddelen als praktische uitdrukking van het natuurlijke recht op vrijheid belangrijker dan het recht op gelijkheid en de consequente toepassing van het principe van de volkssoevereiniteit.


    J.S. MILL John Stuart Mill was de eerste politieke theoreticus van formaat die expliciet betoogde dat vrouwen dezelfde rechten hebben als mannen en daarmee de democratische norm op het hedendaagse niveau tilde. Maar een specifiek kenmerk van hem was ook dat hij democratie niet als toestand opvat, maar als proces, als democratisering.

    Volgens hem moesten de mechanismen die kapitalistische ongelijkheid tot gevolg hebben politiek in toom gehouden worden en de erfelijkheid van productief vermogen moet vergaand beperkt worden. Hij was echter wel een liberaal o.a. Pas dan zouden mensen als gelijken met elkaar omgaan.

    Mensen moeten self-government toepassen en door dit samen met politieke activiteit wordt politieke slavernij onder de mensen voorkomen. Ieders belang telt mee als dit voorkomen wordt. Hij is dan ook voorstander van wat vandaag de dag ’participatorische democratie’ genoemd wordt.

    ’participatorische democratie’: een organisatie van de maatschappij waarin de mensen zoveel mogelijk van de dingen die hen betreffen zelf regelen ’by voluntary co-operation’, met name op lokaal en op bedrijfsniveau. Democratie in deze zin is dus een praktisch leerproces.

    Mill is niet voor het algemene en gelijke kiesrecht. Kiezen mag volgens hem alleen wie lezen, schrijven en rekenen kan. Om deze elementaire vaardigheden te toetsen zouden er examens moeten komen. Ook wie geen belastingen betaalt heeft geen kiesrecht. Tenslotte moet de stem van intellectueel en moreel hoogstaande mensen meer gewicht hebben dan die van anderen. Ook moet de elite de parlementaire afgevaardigden leveren. Mill is dus voor een pluraal kiesrecht. Hij zegt er wel altijd bij dat door praktische (via participatie) en schoolse opleiding ervoor gezorgd moet worden dat iedereen haar of zijn intellectuele en morele potenties volledig kan ontplooien.

    Elites en democratie

    J.S. Mill is de laatste die als klassieke democratietheoreticus wordt aangeduid. Hij was een aristrocraat. ’De klassieke democratietheorie’ bestaat echter niet. (word nogmaals op gewezen) Abraham Lincoln: democratie komt neer op ’government of the people, by the people, for the people’. Opvattingen dat politiek een zaak van de elite zou zijn ging vanaf ongeveer het einde van de 19e eeuw weer een belangrijke rol spelen in de politieke discussie, juist tijdens die periode waarin overall in de westerse wereld min of meer succesvol gestreden werd voor het algemeen kiesrecht. Er zijn flink wat namen die hier wat over hebben gezegd, zie blz. 90. Oligarchie en onbekwame massa: democratie kan niet

    Massa’a laten zich meeslepen door demagogen, handelen emotioneel en zijn volledig manipuleerbaar. De vooruitgang kan dus alleen het werk van elites zijn, zo schreef de Fransman Gustave le Bon in 1896. Mosca, Pareto en Michels verwierpen de mogelijkheid van een democratisch georganiseerde maatschappij. Een samenleving waarin mondige burgers hun aangelegenheden zelf, direct of ook via representatieve organen regelen, achtten de elitisten onmogelijk.

    Elitisme: vinden dat een kleine elite de beslissingen in een land moet nemen. De meerderheid van het gewone volk wordt gedirigeerd en gecontroleerd door deze elite. Deze dienaren van het algemeen belang, de elite dus, dienen in intellectueel en moreel opzicht de besten te zijn. <- definitie elite van Mill. Pareto bedoelt met elite meer simpelweg degenen die om welke exacte redenen dan ook daadwerkelijk (politieke) topposities innemen en de meeste macht en invloed hebben. Mosca’s omschrijving van zijn ’ruling class’ duidt in dezelfde richting. Huidige definitie van elites: groepen die posities met een hoge status en veel invloed bekleden. Michels geeft de voorkeur aan het begrip oligarchie.

    Samengevat vonden ze allemaal dat een democratie niet kon bestaan omdat de domme massa niet capabel en geοnteresseerd genoeg was om over hun eigen politieke en bestuurlijke zaken te beslissen. De mogelijkheid van een democratische samenleving werden door de klassieke elitisten (!mogelijke tentamenvraag: wie waren de klassieke elitisten?) ontkend. Thema van onmogelijke democratie populair: begin 19e eeuw. Het democratisch elitisme van Schumpeter

    De ervaringen met het fascisme en het stalinisme leerden dat er wel degelijk een essentieel verschil bestaat tussen dictatuur en liberale democratie. Democratie kan wel, zei daarom Schumpeter in zijn ’Capitalism, Socialism and Democracy’ van 1942. Men moet alleen het begrip, rekening houdend met de incompetentie van de massa, anders definiëren. Men moet het begrip democratie niet te zwaar beladen. Democratie is een politieke methode, meer niet. Dat is de kern van Schumpeters theorie. Democratie en socialisme moet men uit elkaar houden.

    Democratie, het sociaal-democratische begrip (politieke organisatie van volkssoevereiniteit die alleen mogelijk is op basis van materiële gelijkheid), klopt niet, materiële gelijkheid is niet nodig voor een democratie. Dat is een onrealistische definitie.

    Er was rond deze tijd voedingsbodem voor een nieuwe definitie van democratie wat neerkwam op de formule: parlementaire regering plus algemeen kiesrecht. Schumpeters theorie verrees niet uit het niets.

    Schumpeter wees verder de rationele mens af. Mensen worden geleid door hun emoties als het zaken zijn die hen persoonlijk aangaan en ze hebben daardoor een ’manufactered will’, mensen laten zich leiden door politieke reclame en de verspreiding van de ideologieën van politieke organisaties. Mogelijke tentamenvraag: Wie denkt er allemaal over mensen als een domme incompetente massa? Onder de natuurlijke voorwaarden is effectieve volkssoevereiniteit uitgesloten. Democratie moet men opvatten als wedstrijd van politieke partijen om de politieke macht en als voorwaarde daarvan als strijd om de gunst van de kiezers. Partijen en elites die om politieke macht strijden moeten de preferenties van de kiezers anticiperen wanneer ze de omvang van hun electorale achterban willen maximaliseren.

    Als voorwaarden van een functionerende democratie beschouwt Schumpeter: a) Elites (’leaders’) van een hoge kwaliteit met als basis een ’social stratum that takes to politics as a matter of course’ b) Een overheid die zich niet met alles en nog wat bemoeit c) Een capabele en loyale bureaucratie d) Een consensus over principele aanvaarding van beslissingen, genomen via de democratische methode, wat onder meer inhoudt dat de bevolking zich in de tijd tussen verkiezingen politiek koest houdt e) ’tolerance for difference of opinion’ ©www.metropolismagazine.nl